Het was een spannende wedstrijd, Frankrijk –
Duitsland. Iedereen had het erover, en iedereen hoopte dat Duitsland zou
winnen, want de Fransen hadden te veel Afrikanen in hun team, en dan
wilden zíj met de eer gaan strijken. Toch zong iedereen in het café de
Marseillaise mee en werd er geklapt na afloop. “Dat leerden we op
school!” zei mijn buurjongen Alan verdedigend toen ik hem ernaar vroeg.
Zit het Franse volkslied hier echt nog in het curriculum? In ieder geval
zaten we op het puntje van onze stoel, Alan en ik. Eerst in het café,
pinda’s doppend met zijn vrienden; toen bij zijn familie thuis terwijl
ik varken in hapklare stukken probeerde te snijden met een lepel; en ten
slotte naast Lawrence bij mij in de gang. Tegen die tijd was het wel
duidelijk dat Duitsland geen schijn van kans meer maakte. Alan mompelde
nog hoopvol: “Même la banane casse le dent”, zelfs een banaan kan een
tand inslaan, maar het mocht niet baten. Vanavond de Grote Strijd der
Kolonisten!
Los van het voetbal gaat het hier verder wel lekker. Ik
ben best trots op mezelf. In twee weken heb ik genoeg vrienden gemaakt
om een weekend mee te vullen; een aardig handje Frans bijgeleerd; twee
organisaties, een workshop en een conferentie bezocht; en de eerste
goede regenbui meegemaakt. Als het hier écht regent staan alle straten
blank en is er niemand meer buiten. Als je in een taxi moet heb je pech,
want het is ten eerste lastig om er nog een te krijgen, en ten tweede
regent het ook daar vaak naar binnen. Veel taxi’s hebben niet al hun
ruiten meer, en de deuren sluiten niet goed. Bovendien word je tegen je
natte medereizigers aangedrukt. Draag ik nu bij aan negatieve
beeldvorming over Afrika? Het is een lastige balans tussen willen
uitdrukken wat je ziet, wat je verbaast; en wat je wilt vertellen.
Ik vind het soms jammer dat ik hier niemand ken aan wie
ik mijn vragen over dit land kan voorleggen, die dezelfde verschillen
ziet. Ik ben in twee weken nog geen enkele andere westerling
tegengekomen – maar ik zit dan ook (gelukkig) ver van de
witte-mensen-wijk, waar de restaurants gerechten met kaas serveren en
waar tien yogalessen worden gegeven voor een Kameroens jaarsalaris. Toch
is het lastig om de regels niet te kennen. Zo werd ik berispt omdat ik
na twee handjes rauwe pinda’s vriendelijk bedankte voor een derde
portie. Heel onbeleefd om aangeboden eten af te slaan! Inmiddels heb ik
geleerd heel langzaam te eten, zodat niemand verongelijkt vraagt of ik
het vies vind, maar ik mezelf ook niet vol hoef te stoppen. Over het
algemeen is het eten hier trouwens heel lekker en gevarieerd.
Aardappelen, rijst, fufu (maïsmeeldeeg) en cassave eet je met vis, vlees, bonen of palmoliesaus van pinda’s of groente. Ik vind vooral batons
erg lekker, dat zijn een soort rubberachtige strengen van cassave waar
de zetmeel uit is gehaald. In twee weken heb ik ook al meer vlees
gegeten dan in de afgelopen zeven jaar. Niet alles vind ik even lekker,
vooral de koeienhuid was niet mijn lievelings, maar de kip is heerlijk.
Mee-eten is ook een duidelijk teken van integratie. Als ik iemand net
ontmoet is vaak de eerste vraag: “What do you eat when you’re here?”.
Ook mijn nieuwe vrienden bellen me regelmatig op om te vragen wat ik
voor de lunch heb gehad. Gisteren zei Yanila tegen me: “You should have
been born with black skin!”. Hij was trots omdat ik netjes met mijn
handen achu had gegeten, een gerecht uit de northwest region, zijn geboortestreek. Achu is een soort deeg gemaakt van cocoyam.
Ze bouwen er een rond muurtje van op je bord, waar ze vervolgens
palmoliesoep in gieten. De bedoeling is dat je met je rechterhand steeds
een stukje deeg pakt en dit in de soep dompelt, maar het muurtje moet
zo lang mogelijk blijven staan. Iedereen die ik vertel dat ik achu heb
gegeten bekijkt me duidelijk met andere ogen. Ik hoor erbij!