zondag 10 juli 2016

Même la banane casse le dent

Het was een spannende wedstrijd, Frankrijk – Duitsland. Iedereen had het erover, en iedereen hoopte dat Duitsland zou winnen, want de Fransen hadden te veel Afrikanen in hun team, en dan wilden zíj met de eer gaan strijken. Toch zong iedereen in het café de Marseillaise mee en werd er geklapt na afloop. “Dat leerden we op school!” zei mijn buurjongen Alan verdedigend toen ik hem ernaar vroeg. Zit het Franse volkslied hier echt nog in het curriculum? In ieder geval zaten we op het puntje van onze stoel, Alan en ik. Eerst in het café, pinda’s doppend met zijn vrienden; toen bij zijn familie thuis terwijl ik varken in hapklare stukken probeerde te snijden met een lepel; en ten slotte naast Lawrence bij mij in de gang. Tegen die tijd was het wel duidelijk dat Duitsland geen schijn van kans meer maakte. Alan mompelde nog hoopvol: “Même la banane casse le dent”, zelfs een banaan kan een tand inslaan, maar het mocht niet baten. Vanavond de Grote Strijd der Kolonisten! 

Los van het voetbal gaat het hier verder wel lekker. Ik ben best trots op mezelf. In twee weken heb ik genoeg vrienden gemaakt om een weekend mee te vullen; een aardig handje Frans bijgeleerd; twee organisaties, een workshop en een conferentie bezocht; en de eerste goede regenbui meegemaakt. Als het hier écht regent staan alle straten blank en is er niemand meer buiten. Als je in een taxi moet heb je pech, want het is ten eerste lastig om er nog een te krijgen, en ten tweede regent het ook daar vaak naar binnen. Veel taxi’s hebben niet al hun ruiten meer, en de deuren sluiten niet goed. Bovendien word je tegen je natte medereizigers aangedrukt. Draag ik nu bij aan negatieve beeldvorming over Afrika? Het is een lastige balans tussen willen uitdrukken wat je ziet, wat je verbaast; en wat je wilt vertellen.

Ik vind het soms jammer dat ik hier niemand ken aan wie ik mijn vragen over dit land kan voorleggen, die dezelfde verschillen ziet. Ik ben in twee weken nog geen enkele andere westerling tegengekomen – maar ik zit dan ook (gelukkig) ver van de witte-mensen-wijk, waar de restaurants gerechten met kaas serveren en waar tien yogalessen worden gegeven voor een Kameroens jaarsalaris. Toch is het lastig om de regels niet te kennen. Zo werd ik berispt omdat ik na twee handjes rauwe pinda’s vriendelijk bedankte voor een derde portie. Heel onbeleefd om aangeboden eten af te slaan! Inmiddels heb ik geleerd heel langzaam te eten, zodat niemand verongelijkt vraagt of ik het vies vind, maar ik mezelf ook niet vol hoef te stoppen. Over het algemeen is het eten hier trouwens heel lekker en gevarieerd. Aardappelen, rijst, fufu (maïsmeeldeeg) en cassave eet je met vis, vlees, bonen of palmoliesaus van pinda’s of groente. Ik vind vooral batons erg lekker, dat zijn een soort rubberachtige strengen van cassave waar de zetmeel uit is gehaald. In twee weken heb ik ook al meer vlees gegeten dan in de afgelopen zeven jaar. Niet alles vind ik even lekker, vooral de koeienhuid was niet mijn lievelings, maar de kip is heerlijk. Mee-eten is ook een duidelijk teken van integratie. Als ik iemand net ontmoet is vaak de eerste vraag: “What do you eat when you’re here?”. Ook mijn nieuwe vrienden bellen me regelmatig op om te vragen wat ik voor de lunch heb gehad. Gisteren zei Yanila tegen me: “You should have been born with black skin!”. Hij was trots omdat ik netjes met mijn handen achu had gegeten, een gerecht uit de northwest region, zijn geboortestreek. Achu is een soort deeg gemaakt van cocoyam. Ze bouwen er een rond muurtje van op je bord, waar ze vervolgens palmoliesoep in gieten. De bedoeling is dat je met je rechterhand steeds een stukje deeg pakt en dit in de soep dompelt, maar het muurtje moet zo lang mogelijk blijven staan. Iedereen die ik vertel dat ik achu heb gegeten bekijkt me duidelijk met andere ogen. Ik hoor erbij!

vrijdag 1 juli 2016

De nacht dat de deurklink zachtjes omlaag ging

Er logeerde een universiteitskoor uit Buea in het gebouw. SeP, de organisatie waarbij ik verblijf, heeft namelijk een groot pand met een parkeerplaats en een muur eromheen. SeP bestaat al ruim dertig jaar, en werd vroeger voornamelijk gefinancierd door Europese fondsen. Nu er overal zo zwaar in het budget voor ontwikkelingshulp wordt gesneden krijgt SeP echter niks meer, en moeten ze dus zichzelf onderhouden. Ze hadden dit gebouw al een poosje in hun bezit, en om wat extra’s te kunnen verdienen wordt het nu deels verhuurd: de twee conferentieruimtes aan organisaties, de bovenverdieping met logeerkamers aan gasten, zoals ik, en zoals dus het universiteitskoor uit Buea.

Ze maakten een hoop lawaai ‘s avonds, de Bueanen. Ze hadden net gezongen op de Amerikaanse ambassade ter ere van liberation day, en kwamen naar boven gestommeld juist toen Laurence, de nachtwaker, en ik op het puntje van onze stoel zaten in afwachting van de penalty’s bij Portugal-Polen. Ze schoven gezellig stoelen bij en er werd met veel uitwisseling van briefjes gewed op de mogelijke uitkomsten, en gedanst bij doelpunten. Na de overwinning van Portugal verzekerde ik de koorleider ervan dat ik écht geen last had van het enthousiasme van zijn studenten en ging naar bed. Toch duurde het nog lang voor ik in slaap viel, en ik verheugde me erop te kunnen uitslapen.

Voor mijn gevoel was ik pas net ingeslapen toen ik wakker werd van zacht geklop op de deur. Ik deed mijn ogen open en zag in het halfdonker de deurklink langzaam omlaag gaan. Ik schrok me het leplazerus. Iemand fluisterde zachtjes aan de andere kant van de deur: ‘Come out, come out, come out, it’s okay, it’s okay”. Mijn eerste reactie was het te negeren, maar het gerommel aan mijn deur hield niet op. Ik klom dus maar onder mijn klamboe vandaan en opende de deur. Voor mijn neus stond een man die ik niet kende. Hij zei zachtjes: “I am here to collect the mortgage. If you give me the mortgage, I will leave”. Ik betaal 110 000 CFA per maand (ongeveer €160) en had dat niet zomaar klaarliggen, en bovendien bijzonder weinig zin om zo’n transactie midden in de nacht te maken. En zou het niet logischer zijn als ik gewoon direct aan Peter de penningmeester betaalde, die ik ken en vertrouw? Ik stamelde dus iets als “I don’t have it now, I will pay later”, en verwachtte opstand. Toen zag ik een andere man op de deur van mijn buurman kloppen, de koorleider. Ik wist dat het koor vroeg in de ochtend zou vertrekken, en begreep ik dat ze dachten dat ik bij hen hoorde. En inderdaad, toen ik vertelde dat ik tot oktober zou blijven was er niks aan de hand en verontschuldigde de man zich voor het wekken. Ik sloot mijn deur.

Toen ik weer veilig in bed lag merkte ik dat mijn hart nog steeds veel harder klopte dan normaal. Het voelde als een heel avontuur, maar er was toch niks ergs gebeurd. Ook begon ik te twijfelen: was het erg dom van me om de deur open te doen? Ben ik te naïef, voel ik me hier te veilig? Aan de andere kant: het was heel raar geweest als ik die man gewoon voor mijn deur had laten staan koekeloeren. En wat kan er misgaan, met een nachtwaker en een gang vol studenten. Toch zal ik hem een volgende keer gewoon vragen om overdag terug te komen en mijn deur mooi op slot laten.

Los van dit incident begin ik me al meer op mijn plek te voelen. Ik ben woensdag met DMJ meegeweest naar een dorpje op het platteland, waar ze een workshop gaven. Het is allemaal regenwoud buiten de stad, en belachelijk mooi. Verder heb ik al een aantal vrienden gemaakt, die me regelmatig opbellen om te vragen of ik zin heb om met ze te eten. Mijn Frans wordt langzaam beter, en ik weet mijn weg een beetje te vinden. Nog een week en ik ben niet anders meer gewend!